Mijn eerste schooldag, 1966. De grote school heette dat toen. De eerste klas. Een ongelooflijk belangrijke stap voor ieder kind. Het loslaten van moeder, op weg naar zelfstandigheid. Naar school, om opgeleid te worden tot staatsburger. Zo formeel werd dat niet benadrukt, maar in de kern is dat natuurlijk wel de taak van onderwijs. En taal vormt daarin een fundament. Via de taal leren we de wereld om ons heen begrijpen en onszelf hierin uitdrukken.
Van spanningen of zenuwen herinner ik mij niets, die eerste schooldag. Wel staat nog sterk op mijn netvlies dat mijn moeder mij aan de voordeur moest beloven om koffie te gaan drinken bij de buurvrouw. Dan hoefde ik me geen zorgen te maken over haar eenzaamheid. Altruïsme? Ik kende dat woord niet. Ik voelde liefde voor mijn moeder.
Boom. Het was het eerste woordje dat we leerden schrijven. Eerst met het potlood over de stippeltjes en daarna los schrijven. Een reepje papier met wel twintig keer boom eronder. Ik voelde wat pijn in mijn hand van het harde knijpen in het potlood, maar mijn trots stond voorop. En wat was ik trots dat ik kon schrijven, dat ik boom kon schrijven. Ik schreef boom en ik zag een boom voor me. Een woord verbeeld en een beeld verwoord. Daarna leerde ik roos, vis en vuur. Een boom, een bloem, een dier en een warmtebron als belangrijke elementen van het leven, de wereld waarin ik mij begaf met alle andere mensen en kinderen. Mijn ouders hadden nog aap, noot, mies geleerd, waarbij het kind in relatie tot een dier, het voedsel en de ander als wereldbeeld werd gekenschetst.
Hoe komt het toch dat wij in het Westen zoveel nadruk leggen op en belang hechten aan ons individualisme, onze vrijheid en eigen keuze, terwijl de grootste actuele nationale en mondiale vraagstukken alleen maar op te lossen zijn met een diep bewustzijn van onderlinge samenhang?
Zeker is de impact niet te onderschatten van de verlichte denker Descartes met 'ik denk dus ik besta', die daarmee een stevige pijler van individualisme neerzette. Aangevuld met de industriële revolutie — die ons in welvaart geen windeieren heeft gelegd — en de wederopbouw na twee wereldoorlogen. Met de groeiende welvaart daalde de ogenschijnlijke noodzaak om elkaar nodig te hebben. We gingen ons bevrijden van het juk van godsdienst, van ouders, van geboden, van 'de ander'; me is the centre of the world. Het humanitaire zorgen voor de ander hebben we geïndividualiseerd, gefragmenteerd, geïnstitutionaliseerd en zelfs gecommercialiseerd. Zorgen voor onszelf en de ander kunnen we (af)kopen. Het 'ik' voorop en onderwijs wordt niet meer gezien als opleiding tot verantwoord staatsburger, maar als hoogste vorm voor zelfontplooiing met de piramide van Maslow in de hand. Want dát leren we onze kinderen vandaag de dag op school, op hun eerste lesdag. Hun eerste woordje, dat ze leren schrijven, is IK.
Terwijl we, paradoxaal genoeg, juist toekomstige staatsburgers snoeihard nodig hebben, die alle grote nationale en mondiale vraagstukken aangaan vanuit een basaal bewustzijn van ecologisch respect en humanitaire verbondenheid. Een diep en urgent besef, dat we zowel met elkaar als met de aarde verbonden zijn als één geheel. Zorgen voor de aarde en voor de ander is geen altruïsme versus egoïsme, dat ís zorgen voor onszelf.
Laten we onze kinderen alsjeblieft weer, als eerste woordje, respectvol boom leren schrijven.
Wilt u Annette uitnodigen voor een lezing, een column of een interview?